TWEETAL


Mijn moeder is op bezoek. Ze komt wat eieren van onze kippen halen, om onder haar broedse hennen te stoppen. In het ouderlijk kippenhok wordt er immers volop geruzied over hetzelfde nest. Twee vastberaden kloeken zijn bovenop elkaar gaan zitten, als de aanzet van een gevederde totempaal. Voor ik mijn moeder een tiental eieren voor een tweede nest meegeef, maken we nog een wandeling. Het is een prachtige dag, een van de eerste lentedagen. Na de barre koude en ijzige wind warmt de zon onze ruggen op. Al gauw trek ik mijn jas uit. We volgen het jaagpad over de dijk, blikken uit over de rivier. Hier is het landschap zo anders dan bij mijn ouders, dan waar ik opgroeide. Hier zetten water en riet de toon. Er bestaan geen uitgestrekte akkers. Ik hoop dat mijn moeder zich niet stoort aan een verre hoogspanningsmast.
We lopen langzaam - ze is moe. Voor ons klimmen twee uitgelaten tienermeisjes de dijk op. Hun benen lang en mager, hun dikke haar wapperend achter hen aan. “Ponyhaar”, zegt mijn moeder. Ze reppen zich naar een steiger met een rood bordje dat de toegang verbiedt, klimmen geoefend via een hek om de gesloten toegangspoort heen en vinden hun weg naar beneden, naar het kalm kabbelende water, waarop het zonlicht reflecteert. Een van hen heeft een glossy magazine onder de arm. “Twee meisjes op het strand”, zing ik zacht. “Ze lezen modebladen.” Mijn moeder maakt het couplet glimlachend af. Zwijgend slaan we het tweetal gade tot ze uit ons gezichtsveld zijn verdwenen.
Na een bocht vraagt mijn moeder om halt te houden. Ik spreid mijn jas uit op het gras, zodat we er allebei op kunnen gaan zitten. Schop mijn schoenen uit - mijn moeder doet hetzelfde. Met onze kousenvoeten in de klaver kijken we toe hoe beneden een kerel in een zilverkleurige cabrio voorbijrijdt en abrupt remt voor een diepe plas, wellicht om geen modderspatten te maken op zijn fonkelende koetswerk of zijn keurig gekapte vriendin. Als hij een kwartier later terugkeert, zegt mijn moeder: “Even kijken of hij opnieuw remt.” We grinniken als het gebeurt.
Ik leun op mijn ellebogen, kauw op een grasspriet, laat me uiteindelijk achteroverzakken en sluit mijn ogen. Mijn moeder komt naast me liggen. De zon op onze gezichten. We praten wat. Over onze introverte aard, dat we allebei wel openhartig zijn, maar niet gemaakt voor een druk sociaal leven. Over grenzen stellen, dat dat nog moeilijker wordt als je jezelf bekritiseert in plaats van je beweegredenen onbevooroordeeld te onderzoeken. Over onze schaduwkant, dat het geen zin heeft te doen alsof die er niet is en dat we die maar beter kunnen omarmen. Ik ben dankbaar dat we nog steeds zo weinig woorden nodig hebben om elkaar zo goed te begrijpen.
“Twee zieltjes op de dijk”, zing ik zacht. En al zijn mijn ogen nog steeds dicht, ik weet dat ze opnieuw glimlacht.
Thuis loop ik door de tuin naar mijn kippenhok, voor de meest verse eieren, en stop ze in een kartonnen doos. Mijn moeder omhelst me en belooft me op de hoogte te houden van de vorderingen in haar kippenhok. “Hoog tijd dat er nieuw bloed komt,” lacht ze, “want de haan doet het met zijn eigen zusters.” Als ze over de dijk naar haar huis rijdt, kijk ik haar auto - vol modderspatten - na tot ze uit het gezichtsveld is verdwenen. In gedachten zie ik die twee kippen op elkaar zitten, in dat broeiend hete nest.
(Verschenen in Het Nieuwsblad Magazine)

Reacties

Populaire posts van deze blog

OMGAAN MET HOOGSENSITIVITEIT

MARJOLEIN, IJSKONIJN?

PRESENTATOR VAN TEMPTATION (krantencolum)