TRIP


Twee weken heb ik op een trip gezeten in mijn zolderkamer. Tussen het schrijven van columns door bestonden mijn dagen uit schilderen en werken aan mijn roman. Nog nooit voelde ik mij zo levend, zo verrukt, zo vrij. Bovendien ervoer ik, bij elk woord dat ik schreef, bij elke verftoets die ik op het doek aanbracht, de verslavende aanwezigheid van mijn overleden vader. Alsof ik nauw met hem in contact stond. Het enige wat nog aan me knaagde, was de angst dat dit slecht kon zijn voor mijn relatie. Ik kende genoeg verhalen over eenzelvige, artistieke kerels die wel ergens een vrouw hadden zitten, maar zich vooral terugtrokken in hun ateliers, om daar te existeren voor de kunst. Die vrouwen waren vaak eenzaam, maar hielden vol uit bewondering of zelfs afhankelijkheid, mogelijk beschouwden zij hun toewijding als hun grootste talent. Wellicht was mijn vader ook zo’n man. Al stopte hij op een zeker moment met schilderen, hij bleef leven voor de kunst. Zou ik nu ook zo worden? Zou ik voortaan al mijn tijd investeren in schilderen en schrijven, en mijn geliefde slechts ontmoeten in de keuken of ‘s avonds in ons onopgemaakte bed? Zou ik hem ongelukkig maken?
Ik sprak er met hem over en hij benadrukte dat hij niet verwacht dat zijn partner voortdurend braaf naast hem op de bank zit. Hij heeft ook zijn artistieke bezigheden en evenveel nood aan vrijheid. Het zou hem zelfs teleurstellen als ik mijn ambitie en passie liet varen om enkel nog voor hem te bestaan. “Wat jou gelukkig maakt, maakt mij ook gelukkig”, verklaarde hij eenvoudig. En hij voegde eraan toe dat hij mijn schildersoverall best sexy vond. Gerustgesteld schilderde ik voort.
Tot een virus roet in het eten gooide. We zijn nu allebei ziek. Noodgedwongen hangen we op de bank, als ik tenminste niet in mijn zolderkamer snotterend een deadline moet halen. Lezen gaat moeilijk met zo’n hoofd vol watten, dus bekijken we series, elk op ons eigen scherm met een koptelefoon. We slapen apart, anders houden we elkaar wakker met ons gehoest. We zijn vaker bij elkaar, maar omdat we ons miserabel voelen, valt er nog weinig te delen. Ik ervaar de nabijheid van mijn vader niet meer en moet het schrijven van mijn roman noodgedwongen staken. Twee nachten slaap ik op de bank in mijn zolderkamer, met zicht op het onafgewerkte doek waaraan ik zo graag wil verder werken, als mijn lijf weer mee wil. Dan droom ik van mijn vader. Ergens tussen slaap en dood omhelzen we elkaar, innig en levensecht. Hij is er nog! Onmiddellijk neem ik de draad van mijn roman weer op. Maar als ik ‘s avonds beneden kom en mijn vriend op de bank zie zitten hoesten, breekt mijn hart een beetje. Misschien hebben we elkaar iets té vrij gelaten. We spreken af om toch wat meer samen te blijven doen. Al is het maar, nu we nog ziek zijn, simpelweg naar dezélfde serie kijken. Ik kruip tegen hem aan, streel zijn hand en bedenk: dan maar niet alle dagen schilderen of schrijven. Onze liefde is even belangrijk. Meer nog: die liefde maakt het schilderen en schrijven mogelijk omdat ze rust brengt - we moeten niet langer buitenshuis op jacht naar seks en genegenheid. Maar je hebt geen relatie enkel om te nemen. Ik wil ook investeren. En dus besluit ik dat ik niet iemand zal worden die enkel voor het artistieke leeft. Het hoeft niet of/of te zijn. En/en kan gelukkig ook.

(Deze column verscheen in Het Nieuwsblad Magazine. Schilderij: 'Wandering Thoughts' door Fleur van Groningen, oil on canvas)

Reacties

Populaire posts van deze blog

OMGAAN MET HOOGSENSITIVITEIT

MARJOLEIN, IJSKONIJN?

PRESENTATOR VAN TEMPTATION (krantencolum)