OP HET DAK (column)

Mijn vriend en ik rijden naar het dak van het eiland, naar de allerhoogste berg. Het is een weg vol haarspeldbochten. Er zijn geen tegenliggers, het gebied lijkt verlaten, bewonderend kijken we om ons heen. Op deze hoogte is het te fris voor cactussen en vijgenbomen. De tropische vegetatie heeft plaats gemaakt voor eeuwenoude, torenhoge dennen. Hun wortels bedekt door een dik tapijt van naalden, de ruimte tussen de stammen als de galmende leegte van een kathedraal. Het maakt dat we ons klein en eerbiedig voelen; we gaan zachter spreken en doen er na enige tijd zelfs volledig het zwijgen toe. Niet alles hoeft benoemd te worden. We weten dat we hetzelfde voelen, in stilte verbonden zijn. 

Het langzaam letterlijk boven alles uitstijgen, doet me ook vanuit een ander perspectief op mijn dagelijkse leven terugblikken. Het contrast is groot. Hier voel ik me levend, thuis werd ik geleefd, door keuzes die ik al lang niet meer bewust maakte. Ik zie de conditioneringen, herken de routines, en naarmate we hoger klimmen wil ik ze verder achter me laten, net als de minuscule autootjes, huisjes en mensjes in het dal. Mijn vriend stuurt de wagen de wolken in – een moment worden we opgeslorpt door mist en onwetendheid – en dan blikken we uit over een zee van wollige watten.

Nu is het landschap futuristisch: roestkleurige, kale rotsen, stoffige plateaus en de strakke witte koepels van de op een na grootste sterrenwacht ter wereld. De zon zakt, we zijn net op tijd voor zonsondergang. Mijn vriend parkeert nabij de hoogste rots en te voet gaan we verder. Hier is de lucht ijl en ijzig, de wind rukt aan mijn haren en wikkelt ze rond mijn gezicht als de cocon van een rups. In het licht van de ondergaande zon kleuren de bergtoppen roze, oranje, goud. We volgen een pad, steeds verder de rotsen op en daarna stijl naar beneden. Het uitzicht over de bergtoppen, de wolken en het dal, is van een onvoorstelbare schoonheid. Zelfs de stilte is hier groter dan wij. Ik geniet ervan om me zo nietig te voelen, een kind van moeder aarde, of beter: een luisje in haar pels. 

Als we het pad nog verder volgen, herinner ik me dat we op tijd moeten terugkeren omdat de sterrenwacht over een kleine tien minuten de toegangspoort alweer sluit. Dat stond op een bordje onderweg. Ik zeg het tegen mijn vriend, die even knikt maar daarna op zijn gemakje vrolijk verder kuiert. Hij is een ongetemde mens. Ik niet: ik ben iemand die braaf aan regeltjes gehoorzaamt. Maar nu hobbel ik achter hem aan en prent me in dat ook ik voortaan een ongetemde vrouw kan zijn.
Dan word ik kortademig door de ijle lucht. Ik tast in mijn jaszak en ontdek dat ik mijn astmapuffer in de auto liet liggen. Als we dan toch maar rechtsomkeert maken en het pad omhoog beklimmen, lijken mijn longen te zullen knappen. Hijgend houd ik halt en een bekende paniek maakt zich van me meester: ik ben weer het zieke kindje van vroeger en ik denk dat ik het niet kan. Ik moet snel zijn maar ik kan niet verdergaan zonder een hevige astma-aanval te krijgen. Daar sta ik dan, omgeven door goudkleurige bergtoppen, gehuld in gouden zonlicht, en ik maak me druk om een puffer en een poort. Nee zeg, nu wil ik anders denken! Ik kan het wel. Ik kan het heus wel! En als ik op mijn eigen tempo verder ga, is het alsof een grote, onzichtbare hand me zachtjes voortduwt. Daar, op het dak van het eiland, maak ik me los van mijn oudste conditionering.


(Verschenen in Het Nieuwsblad Magazine) 

Reacties

Populaire posts van deze blog

OMGAAN MET HOOGSENSITIVITEIT

MARJOLEIN, IJSKONIJN?

PRESENTATOR VAN TEMPTATION (krantencolum)