SAMEN EEN (column)

“Hallo walvisjes!”, riep ik al grappend naar de oceaan, zodra mijn vriend en ik voet aan wal zetten op het eiland. In een Disneyfilm zouden de majestueuze dieren onmiddellijk naar de oever zwemmen, om daar met hun staarten op de maat van mijn galmende lied heen en weer te wuiven en glinsterende lucht door hun spuitgat uit te blazen - zilveren vuurwerk tegen de klare hemel. Maar dit was de realiteit. Onze reisgids beweerde dat walvissen spotten tot de mogelijkheid behoorde, maar hoe vaak ik het wateroppervlak ook afspeurde, zien deed ik ze niet. Na enkele dagen ontdekten we echter een bordje met reclame voor een bootsafari en gelukkig stemde mijn vriend onmiddellijk in om zo’n tocht te boeken. Uit nieuwsgierigheid, alsook uit pure welwillendheid: hij kent mijn grote liefde voor dieren, hoe die me kunnen vertederen en verrukken als een kind.

We varen uit op een prachtige ochtend. Er is letterlijk geen wolkje aan de lucht. De oceaan is kalm, een spiegel voor het zonlicht. Brommend voert de boot ons uit de haven, weg van het eiland, naar een wereld waar lucht en water met elkaar versmelten. Ik geniet van de wind in mijn haar, het wiegen op de golven, de zon die op mijn gezicht brandt. Dit is vrijheid. Al lijkt niet iedereen aan boord daar zo over te denken. Het koppel naast me zit meer in met hun kind, dat verongelijkt naar haar gelakte tenen staart in plaats van om zich heen te kijken. Een ouder stel gewapend met verrekijkers, notitieboekjes en een ketting om hun nek waaraan een stenen vis bungelt, tuurt gespannen het wateroppervlak af. Een norse man met een safari-jas doet precies hetzelfde met zijn fototoestel, hij heeft een extra lange lens. Ik ben duidelijk niet de enige met verwachtingen.

Ook de kapitein, een kleine Spanjaard, houdt een verrekijker in de hand. Hij waarschuwt ons dat het dieren in het wild betreft en dat hij ons dus niet kan garanderen dat we ook maar iets zullen zien. Zijn compagnon kruipt op het dak van de boot - zijn fluogele sportschoenen bengelen voor ons diepblauwe uitzicht.

Na een half uur blijft de boot stilliggen en roept de kapitein dat er iets te zien valt. Zoals dat brave toeristen betaamt reppen we ons allemaal naar de rand van de boot en staren daar naar een grote schildpad die vlak voor ons op het water dobbert. Af en toe heft hij rustig een poot op om een nieuwe koers te bepalen. Hij lijkt zo doodalleen in deze enorme oceaan maar niets is natuurlijk minder waar: daaronder, in de donkere diepte, bruist het van het leven. “Zijn schild is zijn huis, waar hij ook gaat”, zegt mijn vriend en ik vermoed dat dat het streven van veel mensen is: waar je je ook bevindt, steeds weer thuis zijn bij jezelf.

Ik wil een grap maken over de zoektocht naar je innerlijke schildpad, maar dan zwemt een grote familie walvissen voorbij. Onder hen moeders met hun kroost. Het gaat om een iets kleinere soort die op dolfijnen lijkt, met glimmende grijze lijven, sierlijke staarten, hoekige vinnen. Simultaan komen ze boven en gaan ze weer onder, boven en weer onder. Tegelijk blazen ze hun adem uit door hun spuitgaten. Alsof deze zoogdieren samen één zijn. Ik negeer de brommende motor, de radio die in de kajuit blèrt en buk me zo ver mogelijk over de reling. Daar voel ik hun ritme in mijn lijf, hun eindeloze reis, hun voortdurende aanwezigheid in het hier en nu. Een diep geluksgevoel welt in me op en doet mijn ogen prikken van ontroering.

(Verschenen in Het Nieuwsblad Magazine)


Reacties

Populaire posts van deze blog

OMGAAN MET HOOGSENSITIVITEIT

FOETUS

Flor Hermans