NIEUWE ROZEN (column N Magazine)

Middernacht nadert. Mijn stiefvader, moeder, oom en vriend zitten in de woonkamer van het ouderlijk huis, waar de open haard knettert, een herfstboeket de salontafel kleurt en sfeerlampen zijn ontstoken. Er wordt nog een fles ontkurkt. Ik ga bij het vuur zitten en voel de hitte door mijn trui op mijn rug. Intussen stopt mijn moeder een dvd in de speler. Ze tuurt door haar bril naar de afstandsbediening. Nadat mijn grootmoeder afgelopen lente stierf, vond ze de oude super 8-filmpjes van mijn grootvader terug en liet ze die digitaliseren. Nu gaan we er eentje bekijken.
We zien een jaartal, cijfers die mijn grootvader secuur op een vel papier schikte, en vervolgens enkele sfeerbeelden. Geluidloos, met kleine, bewegende vlekjes. Er school duidelijk geen groot regisseur in hem. Zijn impressies van de winter - een ijspegel, bevroren spinrag, takjes met maagdelijke sneeuw - of die van de zomer - een speelse kat, een felle roos, zonnestralen door het bladerdak - zijn verdomd cliché. Ik glimlach, omdat ik denk aan de filmpjes die ik met mijn smartphone maak - van regenbogen tot onze scharrelende kippen - en die ik beter niet zou maken, omdat ze zelden herbekeken worden en de beleving van het moment verstoren. Er is blijkbaar niet zo veel veranderd.
Dan, een pijnscheut, van mijn kruin tot mijn voetzolen. Ik herken het huis van mijn grootouders. Ik zag het niet meer sinds het jaren geleden werd verkocht omdat mijn grootmoeder er niet langer zelfstandig kon wonen. De buitenmuren zijn wit en kaal, nog niet overwoekerd door klimop. De struiken waaronder ik ooit speelde, onvolgroeid. Mijn moeder, zestien en in bikini, heeft lange benen, geloken wimpers en een gezicht dat haar karakter nog niet verraadt. Ze zont in een stoel in de tuin. Naast haar: mijn grootmoeder, met haar hoge fiftieskapsel, flamboyante jurk en zachte, vrouwelijke lach. Mijn oom, een ventje nog, draagt een te grote hoornen bril. Ik zie hun wereld, die vijftien jaar later ook de mijne werd en die voor eeuwig leek te zullen bestaan. En ik doe het maar zo onopvallend mogelijk, met mijn rug naar mijn familie en zonder geluid. Maar misschien weten ze toch dat ik huil.
Ze gaan op vakantie, met de caravan naar de Dordogne en Saint-Tropez. Ze zwemmen, eten stokbrood.
Mijn oom en mijn vriend voorzien hen van een hilarische voice-over. Mijn stiefvader valt in slaap: zijn zachte gesnurk is de gedroomde soundtrack voor de zee die mijn grootvader wilde vereeuwigen. 
En dan ben ik er plots. In de tuin van het witte huis. Twee jaar oud, met een kanten jurkje. Mijn moeder bindt viooltjes in mijn zijige haar. Mijn grootmoeder voert me een hapje en lacht verrukt. Voor het eerst snap ik waarom zij me altijd als een baby is blijven zien.
Later, op de terugweg naar huis, troost mijn vriend me dat het nu tijd is voor eigen herinneringen, aan óns nest. Ik denk aan wat mijn moeder voor ons vertrek in mijn oor fluisterde, toen ik mijn jas al aanhad: “Blijf er niet in hangen, liefje, het is voorbij.” En dan gebeurt het: voor het eerst sinds haar dood, voel ik me van mijn grootmoeder loskomen. Van de identiteit die ik aan haar bestaan ontleende. De dankbaarheid voor wie zij was en nog steeds is, blijft. Maar de kramp om in leven te houden wat voorbij is, verzwakt. Er komen altijd nieuwe ijspegels, nieuwe rozen, nieuwe regenbogen.

***
Tijdens de feestperiode gaat het magazine - en dus ook mijn wekelijkse column - er even tussen uit. Op 13/01 zit het terug bij Het Nieuwsblad - en is mijn column er ook weer.


Reacties

Populaire posts van deze blog

FOETUS

OMGAAN MET HOOGSENSITIVITEIT

Flor Hermans