zondag 23 oktober 2016

Hup, hup, hup

Langzaam fiets ik naar boven, de brug op. Beschaamd omdat het niet vlotter gaat. Een wielrenner steekt me voorbij. Hij draagt een strak, helrood pakje, met zilverkleurige tussenstukken en een bijbehorende grijze helm, die onverbiddelijk blinkt in het slaperige herfstlicht. De wielrenner gaat rechtop op zijn trappers staan en draait zijn hoofd naar me om. “Hup, hup, hup!”, roept hij luid. Ik staar hem aan en zie hoe zijn magere, in lycra gestoken achterwerk als een balletje in een flipperkast de verte in schiet. Zijn silhouet is het uitroepteken achter zijn woorden. Ja, de hele man lijkt wel een symbool. Voor dat leven van tegenwoordig. Alles moet sneller, flitsender, met een verbijsterend resultaat. Want we weten allemaal hoe kort de aandachtsspanne van onze ongeduldige medemens is geworden. Hup, hup, hup! Van de weeromstuit houd ik halt. Ik zet mijn linkervoet op de houten balken van de brug en kijk uit over het water. Naar het fletse zonnetje, de wolken, de spiegelende rivier waarin een heel klein eendje een grote, bibberende V trekt. Wat zie je nog als je door het leven zoeft?
Dit is het moment waarop ik aan mezelf toegeef: ik kan het even niet. Ik kan niet herstellen van de verbouwingen en de verhuizing, hard werken, grenzen verleggen, schoonmaken, boodschappen doen, de emotionele tegenslagen van de afgelopen weken verwerken, de boeken schrijven die ik in mijn hoofd heb, de schilderijen schilderen die in datzelfde hoofd wachten, glimlachend een druk sociaal leven onderhouden, piekeren over de dag dat ik op de koop toe voor een kind wil zorgen, mijn gezondheid terugverdienen én die rustmomenten inbouwen waarop mijn dokter zo gehamerd heeft. Niet allemaal tegelijk. En terwijl ik dat bedenk, slaakt mijn smartphone een futuristische kreet. Weer een bericht van iemand die ik nauwelijks ken, die mijn columns leest, zich in me herkent en graag samen koffie zou gaan drinken. Ik weet dat het een fantastisch compliment is. Maar ik kan het niet. Geen tijd. Geen plaats in mijn hoofd. Als schuldgevoel een wielrenner was dan riep die nu: “Ga je wéér iemand teleurstellen?” “Ik ben gewoon niet zo sociaal!”, antwoord ik zacht. Mijn woorden worden overstemd door de grommende motoren van de auto’s achter me.
Misschien is dat wel het opvallendste dat de aankoop van een eigen huis me heeft geschonken. Ik heb altijd geloofd dat er geen plaats was voor iemand zoals ik en dat ik mijn bestaan moest goedmaken. Ik voelde me te huur. Alsof men iets van me mocht verwachten en ik dat dan vroeg of laat moest inwilligen. Maar nu heb ik mezelf een plaats gegeven. Een plek waar ik mijn leven zelf mag inrichten. Bovendien woon ik daar met iemand die van me houdt. Niet enkel als ik grappig ben, een mooie jurk draag en veel te geven heb, maar ook als ik huil nadat ik weer ben flauwgevallen en in paniek raak over mijn lichaam. Zo’n liefde legt je zelfkritiek vaker het zwijgen op. En dus beslis ik, daar op die brug, om meer rekening met mezelf te gaan houden. Wie van me houdt, zal het wel begrijpen.
Terwijl ik op mijn eigen tempo verder fiets, kruis ik een oud dametje. Ze trapt zo traag dat ze bijna omvalt. Misschien leeft zij nog in een tijd waarin er minder moest. Ik knik haar vriendelijk toe. Haar gerimpelde gezicht plooit zich tot één stralende glimlach.
(‘Hup, hup, hup’ verscheen in Het Nieuwsblad Magazine op 23/10/2016)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten