zaterdag 8 oktober 2016

Hoop

Ik ontwaak van het geknars van de brievenbus. De postbode laat er iets invallen. Meteen ben ik klaarwakker. Precies een maand geleden heb ik mijn biologische vader een brief geschreven. Om op de juiste manier afscheid te nemen - nadat we al acht jaar geen contact hebben en heel wat zaken nooit werden uitgesproken. Onwillekeurig koesterde ik de hoop dat het ooit goed kon komen. Zolang niets definitief werd afgesloten, bleef die kleine mogelijkheid bestaan.
Ik geloof dat ik alle mogelijke scenario’s heb bedacht. Dat hij niet terugschrijft. Dat hij wel terugschrijft. Wat er in die brief kan staan.
Toch klopt mijn hart in mijn keel.
Ik sta op, was me, kleed me aan, open de voordeur en loop blootsvoets door de ochtendkoude naar de brievenbus. Kleine steentjes prikken in mijn voetzolen. Mijn adem vormt een voorzichtig wolkje. Eerst steek ik het sleuteltje verkeerd in het slot. Als het deurtje dan toch opengaat, ligt er één witte enveloppe in. Ik herken zijn kalligrafisch handschrift onmiddellijk. Hij heeft mijn naam zonder hoofdletters geschreven. Zou het hem storen of opluchten dat ik zijn achternaam niet draag?

Drie weken eerder was ik te gast op een feest in een afgehuurde schoolkantine. Ik zat aan een tafeltje met twee al wat oudere zussen. Eén van hen had een oude liefde uitgenodigd en vroeg zich hardop af of hij nog zou komen. Ik keek naar de klok aan de muur, het was twintig voor elf. Haar zus sprak haar streng toe: natuurlijk kwam hij niet, dat had hij toch nooit gedaan, hoe kon ze blijven geloven dat hij veranderen zou? Waren ze daar niet te oud voor geworden? Hadden ze niet te veel meegemaakt?
Ik staarde naar het grasgroene, papieren tafelkleed. Trok er met een vork een scheurtje in. Toen ik weer opkeek, ontmoetten mijn ogen die van de vrouw die op haar liefde wachtte. Er lag een kinderlijke onschuld in haar blik. “Ik wil blijven geloven dat mensen kunnen veranderen”, zei ze tegen me. Ik knikte snel, waarmee ik haar wilde duidelijk maken dat ze zichzelf niet aan mij hoefde te verklaren. “Als ik die hoop opgeef”, ging ze verder, “Wat houd ik dan nog over?”
Niemand zei wat. Haar zus niet, ik niet. De tl-buis boven ons knipperde. In die korte stilte proefde ik het verlies van de hoop. Ik rilde. Dacht aan de openhartige brief die ik naar mijn vader had verstuurd. “Misschien komt hij pas om elf uur”, zei de vrouw.

Zijn brief ligt op mijn keukentafel. Ik loop naar de waterkoker om thee te zetten. Schil wat fruit voor mijn ontbijt. Bij elke beweging lijkt zijn handschrift me aan te kijken. Ik wil me niet haasten. Als ik de enveloppe dan toch openscheur, vind ik een onhandig opgevouwen stuk tekenpapier. Daarop staat in krullerige letters het enige scenario dat ik niet had bedacht.
Eerst breek ik van binnen. Dan bal ik mijn vuisten uit onmacht. Dan worden mijn ogen warm van woede. Pas dan komt er één langgerekte snik. Ik dacht dat er in hem een voorzichtige liefde voor mij woonde, die amper plaats kreeg en zeer zeker niet van de vaderlijke soort was, maar die desalniettemin naar een voedingsbodem zocht. Dat blijkt niet zo te zijn. Deze man geeft niet om mij.
In de stilte van de kamer grijpt het verlies van de hoop me bij de keel.
Het zal nog enkele dagen duren alvorens ik ontdek wat ik daarna overhoud. Geen leegte maar ruimte. Ruimte voor datgene wat waarachtig is.

(de column ‘Hoop’ verscheen op 08/10/2016 in Het Nieuwsblad Magazine)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten