maandag 7 september 2015

DRIE JAAR

Drie jaar van je leven, die je van meisje tot vrouw boetseerden, samengevat in wekelijkse columns. Dingen die je toen nog niet kon begrijpen - nu wel. Dingen die je was vergeten, niet wil weten of nooit meer zult vergeten. Pieken, dalen, verhalen. Je leest het allemaal na elkaar, want die jaren worden gebundeld in boekvorm, en je wil je teksten herwerken omdat je nu anders schrijft.
Beter, denk je. Hoop je.
Je wil zelfs heler stukken schrappen. Omdat je nu beter weet, denk je. Hoop je.
En al jubelt je uitgever om elke letter, stilletjes ben je bang om tijdens het herlezen te ontdekken dat je de vroegere versie van jezelf niet meer zo leuk vindt.

Die confrontatie ging ik aan in mijn kleine huisje met zicht op de weien en de gepensioneerde boerenknol die ik sinds enkele maanden mijn buurvrouw mag noemen.
Gek om te lezen hoe ik vorige zomer met mijn moeder langs dit huisje fietste en vol verlangen terugdacht aan de tijd die ik er als peuter met haar had beleefd. Als iemand toen vanuit de maïsvelden was gestapt om te zeggen dat ik er het jaar daarop opnieuw zou wonen, zou ik hem - nadat ik had gevraagd wat hij tussen die planten uitspookte- niet geloofd hebben. Mijn toekomst was al uitgestippeld, die ging de andere kant op.
Gek ook, dat ik de week daarop auditie deed bij een regisseuse in Gent, op een adres dat ik moeilijk kon vinden. Als iemand toen uit een venster had geroepen dat ik datzelfde adres over een jaar blindelings zou terugvinden omdat mijn nieuwe liefde er woont, zou ik hem ook niet geloofd hebben. Ik had al een vriend.


Als je dan je boek voor de vijfde keer herleest, speurend naar fouten, en je eigen woorden je stilaan de strot uitkomen, lopen de eerste reacties van proefpersonen binnen en blijkt het verdict unaniem: ontroerend. Ronald Giphart, voor wie ik ooit een platonische liefde opvatte na het lezen van zijn eerste boeken, bleek mijn columns trouw te lezen en leverde een citaat voor de achterflap: ‘Fleur van Groningen schrijft én uitermate grappig én ontroerend én mooi én wijs én oprecht.’ Ik kon mijn geluk niet op. De rode draad die mij echter opvalt, is de liefde voor mijn moeder, die even onverwoestbaar als wederzijds is. Zij is de eerste die ik in het dankwoord vernoem. We zijn om de beurt elkaars leraar en steeds elkaars beste vriend. Na alles wat we samen hebben meegemaakt, vergeten we wel eens dat we moeder en dochter zijn. Tot ik me opeens heel klein voel en zij haar armen om me heen slaat. Ze is een vast personage in mijn columns en dat merkt ze: bij de slager spreken onbekenden haar begripvol en enthousiast aan terwijl zij biefstukken bestelt.

De andere rode draad zijn mijn lezers. Stapels e-mails heb ik gedurende die drie jaar van jullie ontvangen. Levensverhalen, complimenten, bedenkingen. Ik werd een vriendin genoemd, een zaterdagochtendritueel, een toeverlaat. Een introverte dame verwonderde zich bezorgd over mijn openhartigheid. Ik legde uit dat ik mijn kwetsbaarheid bewust toon omdat er al genoeg imago’s worden hooggehouden en mijn ervaringen dienen om universele thema’s aan te kaarten. Niet veel later kreeg ik een prachtige handgeschreven brief van een jongeman die vertelde dat mijn columns hem door de moeilijkste tijd van zijn leven hebben gesleurd. Die brief heeft een vaste plek op mijn nachtkastje.
En dan krijg je de zoveelste lezersbrief: ‘Hoe zit het nu tussen jou en de schrijver?’ Nadat die schrijver en ik een noodzakelijk gesprek over de liefde voerden, schreef het laatste hoofdstuk zichzelf en gingen de drie jaar in druk. Nu ligt ‘Dat kleine geluk – Een zoektocht naar een zachtere wereld’ in de boekhandel. Of mijn zoektocht daarmee teneinde is? Nee. Maar ik heb al begrepen dat het leven milder wordt als je vriendelijk voor jezelf bent.


Deze column verscheen in Het Nieuwsblad Magazine op 05/09/2015.‘Dat kleine geluk – Een zoektocht naar een zachtere wereld’ is een uitgave van Horizon en sinds 28 augustus 2015 verkrijgbaar in de boekhandel en online boekwinkel.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten