zaterdag 8 november 2014

MAGISCH AVONTUUR

Mijn gezelschap lijkt me ietwat spottend aan te kijken. Ik voel me belachelijk. Ik heb hen net leren kennen. Daar kwam wat smalltalk aan te pas en op de één of andere manier ging het opeens over uilen. Dat die naar ‘t schijnt geruisloos vliegen, zei iemand. Waarop ik, niet zo onderlegd in smalltalk, geestdriftig knikkend veel te uitgebreid over een wonderlijke ontmoeting met een uil begon te vertellen.  Ik beschreef hoe ik als tiener na het uitgaan langs een afgelegen veldweggetje naar huis was gefietst. Het was een stille, koude nacht. In het schijnsel van de volle maan schitterde de rijp op de velden en mijn adem vormde wolkjes. Plots zag ik op een weidepaal een spierwitte kerkuil zitten, met zo’n hartvormig gezicht. Ik vertraagde, in de hoop dat hij niet meteen zou wegvliegen en ik hem goed kon bekijken.  Tot mijn verbazing vloog de uil pas op toen ik heel traag langs hem fietste en ging hij enkele meters verderop  weer op een paaltje zitten, schijnbaar wachtend. En jawel, toen ik hem voorbij stak vloog hij opnieuw op, om iets verder terug op een paaltje te landen. Zo vloog deze uil, in het licht van de volle maan, de hele weg geruisloos met me mee. Op een bepaald moment vloog hij zelfs boven me, wit tegen de donkere hemel, volstrekt onhoorbaar.  Pas toen ik het erf van ons huis opreed – wij woonden toen tussen de akkers, op het einde van een doodlopende straat – verdween hij in het donker. Ik bleef nog een tijdlang naar het gelige schijnsel van de lantaarnpaal staren, waarin ik hem voor het laatst had gezien. Daarna liep ik door de tuin van mijn ouders naar mijn huisje, achterin. Het hoge, bevroren gras kraakte onder mijn voeten. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik had het gevoel dat ik een magisch avontuur had beleefd. Iets wat niemand zou geloven. 

Nee, zegt de man voor me en grijnst. Ik schaam me voor mijn kinderlijke enthousiasme.  ‘Ik had niet gedronken’, verklaar ik naar waarheid,  hopend dat ze me alsnog zullen geloven. ‘En later vertelde iemand dat uilen van gezelschap houden en dit niet zo uitzonderlijk was.’ Er valt een stilte. Ik herinner me een ander uilavontuur. Die keer dat ik de afwas deed en opeens ‘iets’ vanuit de tuin mijn naam riep. Het klonk langgerekt,  gedempt, spookachtig. Als een griezelige grafstem die me naar de onderwereld wilde lokken. Toen ik het een tweede keer hoorde, liep ik nieuwsgierig de tuin in. Al gauw bleek dat ‘iets’ mijn moeder te zijn, die bij het kippenhok stond en me met één wijsvinger tegen haar lippen tot stilte aanmaande, terwijl ze met de andere vlak voor zich uitwees. Daar zat een grote, gevlekte uil op een houten kist een goudgele maïskolf te verorberen. Zomaar overdag. Een tijdlang stonden mijn moeder en ik, zij in haar vuile tuinkleren en ik met een schort om en een geruite keukenhanddoek over mijn schouder, in het milde licht van de herfstzon muisstil toe te kijken. Nadien verklaarde mijn moeder dat ze de roep van een uil had nagebootst, omdat ze hem niet wilde verjagen terwijl ze me riep.  Die idiote imitatie bezorgde ons alsnog de slappe lach.

Ik sta op het punt deze anekdote en spookachtige roep met mijn gezelschap te delen, in de hoop de akelige stilte waarin mijn ontroering naakt opgebaard ligt, samen weg te lachen. Maar dan vrees ik dat ik me allicht nog belachelijker zal maken en zwijg. Terwijl het gesprek verder kabbelt, voel ik me een beetje eenzaam. Weer ‘die rare’. Die niet aan de oppervlakte kan blijven maar meteen haar liefde voor dieren prijsgeeft. Maar tegelijkertijd weet ik me rijk: ik koester de verwondering. 

(Verschenen in Het Nieuwsblad 08/11/2014)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten