maandag 16 augustus 2021

Schrijven over pedofilie, een mijnenveld?

Is schrijven over pedofilie een mijnenveld dat vermeden moet worden? Ik vind van niet. Het is belangrijk dat we zo goed mogelijk geïnformeerd zijn, de verschillende nuances kennen, alsook de nieuwe inzichten, en dat we met die kennis de juiste omstandigheden creëren om leed zo veel mogelijk te voorkomen en, indien te laat, te verzachten.

Is pedofilie een onderwerp waarover iedereen een mening mag spuien? In principe wel, zie het recht op vrije meningsuiting. Maar waar houdt de mening op en begint de belediging, de schade?
En hoe zit het met verantwoordelijkheid?

Iemand als Delphine Lecompte, die in haar open brief in Humo het onderwerp pedofilie gebruikt om journalist Sven van der Meulen publiekelijk aan te vallen, onderwijl empathie afdwingt voor de ‘niet-praktiserende pedofiel’ (excuus voor de knullige term), vervolgens haar eigen moed om te sympathiseren met de underdog benadrukt, en op de koop toe beweert dat er in ons allen een pedofiel schuilt, ontzenuwt de beladen thematiek niet en dient onze samenleving daarmee in geen geval. Ik kan dit niet zomaar klasseren als een mening. Sympathiseren met de underdog als imago-stunt, maar wel de vele slachtoffers van pedofilie kwetsen en schofferen: ik begrijp het niet.

Zelf was ik als kind het slachtoffer van seksueel geweld en hoewel je zou kunnen beweren dat ik daarvan hersteld ben – het gaat nu beduidend beter dan vroeger –, leef ik met een ruw litteken dat, indien aangeraakt, kan openbreken in rauwe pijn. De ervaringen zijn onmogelijk los te laten, zoals onwetenden al eens hebben geadviseerd. Het is iets dat ik moet integreren in mijn zelfbeeld en leven. Het gebeurde kan niet ongedaan gemaakt worden.

Deel van mijn voort durend herstel is een duidelijke omlijning van de slachtofferrol en de daderrol. Het is mijn poging tot ontwarring van het emotionele kluwen dat grensoverschrijdend gedrag veroorzaakt.

Dit was, naast de traumatische gebeurtenissen, de ondraaglijke last: de vrees dat ik schuld had aan wat mij was ‘overkomen’. Dat ik het had verdiend en dus had kunnen voorkomen. Een onterechte overtuiging die ik intussen in lectuur over trauma, seksueel misbruik en traumaseksualiteit, vaker zag voorbijkomen. Kinderen zijn afhankelijk van volwassenen en indien ze aan zichzelf toegeven dat er iets met die volwassenen scheelt, hebben ze niemand meer. Dan maar zichzelf als de oorzaak van alle ellende aanwijzen.
Daarnaast is het ook een beproefde manipulatietechniek van daders: ze maken slachtoffers medeplichtig – aan pakweg een geheim – waardoor hun zelfhaat en moedeloosheid hen extra bestuurbaar maakt.

Ik draag deze gevolgen nog steeds met me mee: bij elke negatieve gebeurtenis leg ik de oorzaak automatisch bij mezelf en denk ik er pas na een tijdje aan dat het soms ook aan iets of iemand anders kan liggen. Aan een misverstand, een samenloop van omstandigheden. Of aan een gebrek aan respect, waarop ik kunstmatig een grens moet optrekken. Iets wat ik eng vind, wat ik soms nog niet kan maar gelukkig steeds vaker wel.  Steun put ik uit de zwart-witte waarheid: er werd een grens overschreden, er is een dader en een slachtoffer. Herhaling dient voorkomen te worden, gerechtigheid moet geschieden, hulp is nodig.

Het voordeel van een duidelijke scheidingslijn tussen slachtofferschap en daderschap is voor mij ook dat je als slachtoffer ontschuldigd wordt. Dat je jezelf kunt vergeven wat je jezelf eigenlijk niet hoeft te vergeven: dat het kon gebeuren. Pas dan kan je, gedoseerd, de opgekropte woede en het onderliggende verdriet toelaten: je geeft jezelf de ruimte en rechten die jou zijn ontnomen. Je neemt je volwassen verantwoordelijkheid: je zet de daden van de ander niet voort door (emotioneel) misbruik op jezelf te plegen maar je gaat jezelf verzorgen. Mettertijd ga je dankzij je emoties leren voelen waar je grenzen liggen, waardoor je die op een almaar natuurlijkere, evenwichtigere manier kunt aangeven.

Ik spreek natuurlijk voor mezelf, maar na vele contacten met getraumatiseerde mensen kan ik me voorstellen dat een duidelijk schema van slachtoffer- en daderschap ook voor het herstel van andere slachtoffers zeer belangrijk is. In dat geval leiden ongefundeerde beweringen die dat schema doen wankelen wellicht tot obstructie van een heleboel helingsprocessen. Een zware verantwoordelijkheid.

Delphine Lecompte noemt pedofilie een aangeboren geaardheid en dwingt empathie af voor de pedofiel die met zijn perverse verlangens worstelt doch er niet aan toegeeft.  “De meeste pedofielen vechten een leven lang tegen hun seksuele gevoelens ten opzichte van kinderen,” schrijft ze. “De hel op aarde, want kinderen zijn overal en de pedofiel mag ze niet aanraken. De meeste pedofielen raken geen kinderen aan. De overgrote meerderheid verkracht geen kinderen en vermoordt geen kinderen. Toch wordt de pedofiel universeel geminacht, verafschuwd, gehaat, in de val gelokt en belaagd. De pedofiel wordt afgeschilderd als een monster, en de media doen er graag een schepje bovenop. Wanneer er een fijngevoelig barmhartig initiatief zoals de hulplijn Stop It Now! voor pedofielen op touw wordt gezet, dan krijgt dat uiteraard geen platform in ‘VTM nieuws’ of op de website van Het Laatste Nieuws. Want het is te zacht, te mild, te genuanceerd en te genadig. De 21ste eeuw behoort helaas toe aan de blinde ziedende nietsontziende harteloze rancuneuze menigte.”

Enkele dagen later wordt dit ontkracht in een opinie van Saskia de Coster, in De Morgen. Zij schrijft: “Pedofilie is een perversie (tegenwoordig is de vakterm parafilie) en geen geaardheid. Je wordt niet zo geboren, zoals Lecompte schrijft in een tweede brief om zichzelf te verdedigen. (…) Ze heeft het over 'de meeste mensen die de pech hebben om geboren te worden met een seksuele voorkeur voor kinderen'. Dat is pertinent onjuist, ook al is pedofilie geen keuze en heeft het zeker geen zin om te gaan beklemtonen hoe vies pedofielen zijn. Maar om vat op iets te hebben, moet je het wel analyseren. Pedofilie, zo blijkt uit veelvuldig klinisch onderzoek, is geen geaardheid met fantasieën die in ieder van ons wemelen. Een pedofiel heeft een particuliere en problematische persoonlijkheidsstructuur, vaak vanuit een traumatisch verleden en met linken naar narcistische, asociale en psychopathische persoonlijkheden. Zelf ben ik geen expert, maar ik informeer me minimaal bij experts. De consensus is er: pedofilie is zeker geen schaduwkant van iedere mens.”

Het is zeker niet de eerste keer dat ik iemand hoor beweren dat pedofilie een geaardheid is.

Twee jaar geleden interviewde mijn echtgenoot Patrice Toye, regisseur van de bekroonde film Muidhond, gebaseerd op omstreden roman van Inge Schilperoord, die het verhaal vertelt van een jongeman die ondraaglijk worstelt met een pedofiele geaardheid. Voor die film, zo vertelde Toye in het interview, spraken zij, de hoofdrolspeler en eerder al de schrijfster, met verschillende ‘niet-praktiserende pedofielen’, die hen toevertrouwden hoe vreselijk hun lijdensweg is. Ook spraken ze meerdere experts die het er allen over eens waren: pedofilie is een aangeboren geaardheid.

In De Standaard bevestigde filosofe Griet Vandermassen met diezelfde film in gedachten: “De meeste pedofielen begaan nooit een seksueel misdrijf. Zij lijden in stilte, beschaamd over hun afwijkende verlangens. (…) Je seksuele geaardheid kies je niet. De oorzaken van de aandoening zijn nog niet helemaal duidelijk, maar onderzoek wijst onder meer op een verstoorde neurologische ontwikkeling. De hersenbedrading van pedofielen loopt mank.”

De Coster ontkracht deze informatie, verwijzend naar klinisch onderzoek en experts, maar voor uitgebreide documentatie is er in haar opinie geen ruimte.

Naar aanleiding van de uitspraken van Patrice Toye heb ik me destijds afgevraagd: waren mijn agressors slachtoffers?  Ik heb mezelf rationeel opgelegd te aanvaarden dat zij een aangeboren geaardheid hadden. Gevoelsmatig kon ik dit evenwel niet bevatten. Is geaardheid niet iets veel onschuldiger, dacht ik, iets wat slaat op de chemie tussen geslachten, gebaseerd op evenwaardigheid en wederzijdse toestemming? Seks met alpaca’s is toch ook geen geaardheid? Net zomin homofilie een ziekte is? Er is nooit sprake van gelijkheid tussen een volwassene en een kind. Kan je de behoefte aan een pervers machtsspel dan toch afdoen als een geaardheid?

Tegelijkertijd, wat weet ik ervan? Ik ben geen deskundige en op de koop toe niet objectief.

Voor mij voelde het alsof mijn agressors, door ze te beschouwen als slachtoffers van geboorte-pech, ontschuldigd werden. En zo werd ook weer mijn slachtofferrol onduidelijk, werden me weer enkele rechten ontnomen. In die zin hielp de opinie van De Coster mij erg om hier opnieuw klaarte in te scheppen. Alleen ben ik nog steeds onzeker: wie heeft er nu gelijk?

Ik houd mezelf daarom zwart-wit voor: waar een grens wordt overschreden is er een dader en een slachtoffer, wat de oorzaak van de daad ook is.

Maar waar geen daad is, is geen dader. En dus blijf ik bezorgd om het mogelijke bestaan van mensen die geen daders zijn en ook niet willen worden, die een leven lang vechten tegen hun pedofiele neigingen. Als je weet wat lijden is, wens je het niemand toe.

In die zin begrijp ik Lecompte wél. En dat is meteen de volgende, spijtige zaak: dat haar empathie –ervan uitgaand dat die oprecht is – werd omkranst met een adjectief-rijke doch empathie-arme scheldkanonnade aan het adres van Sven van der Meulen en de nog onachtzamere beweringen dat incest cultureel erfgoed is en iedereen – ook slachtoffers van pedofilie - een innerlijke pedofiel heeft. Zo bereikt ze absoluut het tegendeel.

Natuurlijk is mensen verstoten of aan de schandpaal nagelen geen oplossing voor een problematiek die ons allen aanbelangt. Aan kinderen kom je niet, daar zijn we het allemaal volmondig mee eens.

Dit betekent dat we onze verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat we grondig geïnformeerd moeten zijn, zodat de problematiek gedegen kan worden aangepakt. Dat we van alle beschikbare feitelijke kennis op de hoogte blijven, alsook van de psychische aspecten. En dat we met fluwelen handschoenen te werk gaan, want deze thematiek is verbonden met enorme hoeveelheden pijn.

Dit is waarop ik hoop:

1.      1.  Een publieke mea culpa van Delphine Lecompte, met bijbehorende excuses. Fouten maken is menselijk, je kan ervan leren. Doe dat dan ook.

2.      2. Dat een krant of een magazine een onderzoeksjournalist op dit onderwerp zet die met een veelvoud van experts in gesprek gaat, onderzoeken verzamelt, kortom zich zeer grondig informeert, opdat zo veel mogelijk mensen weten wat er op dit moment geweten is over pedofilie. Is het aangeboren? Is het een symptoom van een onderliggende pathologie? Bestaat het misschien allebei? Ik weet het niet, ik wil het weten. Om vier redenen:

- voor het helingsproces van de slachtoffers van pedofilie;

- voor alle mensen die geen heterofiele geaardheid hebben, zij strijden al zo lang voor begrip en aanvaarding;

- voor onze samenleving, zodat die gepast kan reageren;

- voor onze overheid, opdat die de juiste initiatieven kan (blijven) nemen om kindermisbruik te voorkomen en lijden te verzachten.

vrijdag 6 november 2020

woensdag 16 september 2020

Debuutroman SWINGERS komt in oktober uit!

Op 22 oktober 2020 ziet mijn debuutroman Swingers het levenslicht! Het is een vlotte, gewaagde komedie geworden die je meeneemt op een scabreuze trip! Ik hoop dat je er veel plezier aan beleeft.

De jonge, ambitieuze actrice Ella werkt voor Bambam, een productiebedrijf dat kindertelevisie maakt. Tijdens filmopnames raakt ze in de ban van de steenrijke producent Dorian van Dijk die haar meesleept in de wereld van seksclubs. Een plek waar ook de goedhartige Roosje, boekhoudster bij Bambam, sinds haar scheiding haar fantasieën verkent. Tegelijkertijd koestert Ella's vriend Jan heimelijke gevoelens voor zijn bazin, de spirituele tv-kok Lakshmi, en droomt van een carrière als scenarioschrijver. Terwijl Ella en Jan verblind raken in hun drang naar succes, dwaalt ook Roosje noodgedwongen van het rechte pad af. Hoever zijn ze bereid te gaan in hun streven? En tegen welke prijs? 

Je kunt jouw exemplaar nu al bestellen via Standaard Boekhandel of Bol.com, dan ben jij één van de eersten die het boek ontvangt!



zaterdag 4 april 2020

CORONA

"Ik denk dat veel mensen nu voelen wat jij voelde toen je je actualiteitscolumn in Het Nieuwsblad opgaf”, typt mijn moeder in het chatvenstertje. Zij en ik zitten allebei in onze eigen wereld, op een uur rijden van elkaar. Sinds drie dagen is België zo goed als in lockdown vanwege de coronacrisis en het ziet ernaar uit dat mijn moeder en ik elkaar nog een hele tijd niet zullen mogen zien. In eerste instantie lijkt de vergelijking van mijn moeder me misplaatst. Mijn kleine leventje tegenover de kommer van de wereld. Maar dan denk ik aan de paniek die ik in winkels voel: daar is de lucht soms kleverig van een egoïsme dat aangestuurd wordt door angst. Mensen zijn bang om ziek te worden, te weinig te verdienen, onvoldoende voorraad te hebben. En wellicht zijn er ook heel wat benauwd omdat ze anders moeten gaan leven. Omdat ze niet meer de persoon kunnen zijn die ze tot voor kort waren. In die zin begrijp ik de opmerking van mijn moeder wél. Ik kreeg een identiteitscrisis nadat ik met mijn column was gestopt. Ik gaf de identiteit op die ik ontleende aan dat werk. Jarenlang was ik de columnist van een veelgelezen krant. Ik kreeg goede kritieken, sommige mensen stelden mij op feestjes voor als 'topcolumnist'. Dat vond ik belachelijk, maar het gepeste meisje in mij genoot er toch een tikkeltje van. Alsof ik eindelijk iemand was. Toen ik ermee stopte, voornamelijk omdat ik op de rand van een burn-out zat en anders moest gaan leven, was ik plots niet meer die columnist. De status van pagina twee ging in rook op. Alsook de financiële zekerheid, die me een gevoel van veiligheid bood. En ik wist wel dat dat illusies waren. Maar onze maatschappij draait op veel illusies. Heel wat mensen identificeren zich met dingen die ze in essentie niet zijn: hun job, auto, plaats in een of andere professionele hiërarchie. Hun bankrekening, kleren, boekenkast, virtueel succes op het internet. Met de personen die ze ontmoeten doen ze hetzelfde. Die delen ze in naargelang hun statussymbolen. Voor al die mensen stel ik nog weinig voor. Ik stortte me op ander werk. Op mijn jongste boek, op de promo (en nu doet corona de verkoop ervan alsnog de das om). Pas toen mijn boek gepubliceerd was, donderde ik in het zwarte gat. Daar wachtte de échte identiteitscrisis. Geen rouw om een tree op de sociale ladder. Maar onversneden onzekerheid over wie ik nu echt ben. Ik had plannen gemaakt. Ik zou tijd hebben om te doen wat ik al mijn hele leven wilde doen, zodat ik daar de energie kon uithalen die me van die burn-out moest weghouden. Maar na jarenlang keihard werken had ik ineens nergens meer zin in. Niet in boeken schrijven. Niet in schilderen. Zelfs niet in kleine klusjes in huis. Ik wilde alleen maar op de bank hangen. Lummelen. Ik was totaal ongeïnspireerd en hondsmoe. Uiteindelijk gaf ik er maar aan toe. De dag voor corona ons in de houdgreep nam, besloot ik evenwel om weldra enkele musea te bezoeken om mijn inspiratie alsnog wakker te schudden. Die uitstapjes zijn er niet van gekomen. Het is de isolatie die me nu alsnog bij mij ware zelf brengt. Mijn leven in tijden van corona is eenvoudig. Ik heb mijn man en kind lief, ik doe wat in het huishouden, ik zorg, teken en schrijf. Ik voel weer wie ik ben. En misschien is dat toch ook wat de coronacrisis voor heel wat mensen kan doen: de beperkende leefomstandigheden ontnemen ons behoorlijk wat (valse) identiteiten en doen ons een aantal (schijnbare) zekerheden verliezen. Dat is moeilijk, maar het kan ons wel op weg helpen naar onze ware zelf. En van daaruit: naar meer wezenlijke verbondenheid.
(deze column verscheen op 04/04/2020 in Het Nieuwsblad Magazine)

donderdag 19 maart 2020

CORONATOONS


In tijden van corona teken ik cartoons
om jullie wat op te vrolijken. 
Je kan ze bekijken op mijn instagramprofiel en op Facebook!
Deel ze gerust!

IK BEN LIEVER EEN OPEN BOEK DAN EEN MYSTERIE (interview)











In haar nieuwste boek ‘Mijn kind, mijn spiegel’ overstijgt Fleur van Groningen (37) de verhalen over herbruikbare luiers en tepelkloven met haar goudeerlijke relaas over haar tocht naar het moederschap en eerste jaar met zoontje Rex. Herkenbaar (ook voor niet-mama’s) en zonder taboes (want daar doet ze niet aan) beschrijft ze de complete transformatie die ze onderging. ‘Ik vond het leven vaak hard werk. Nu is elke dag zinvol.’

Tekst: Kaatje De Coninck / Foto’s: Jens Mollenvanger

Ze is veel dingen, Fleur van Groningen. Auteur, columnist, cartoonist, tekenaar. Ze maakt muziek en schildert. En sinds dit jaar moedert ze ook. Compleet, volkomen, volmaakt, uitgeput. Zoals dat gaat na een jaar met een baby die niet doorslaapt. Fleur en haar donkerharige, breedgeschouderde echtgenoot (ofwel Seppe van Groeningen) wonen samen in een bescheiden huisje aan de oever van een rivier, zoals ze schrijft in haar jongste boek ‘Mijn kind, mijn spiegel’. Sinds een jaar is daar een allerliefst, blond engeltje met blauwe ogen bijgekomen, Rex. Jullie zullen haar op haar woord moeten geloven, want hoe trots ze ook is, ze wil hem nog even niet op foto tonen. ‘Hij heeft niet gekozen voor aandacht of bekendheid, ik wil die keuze nog niet voor hem maken. En eerlijk, als je leest hoe pedoseksuelen op zoek gaan naar alledaagse foto’s van kinderen op social media ... daar mag ik niet aan denken. Al zou ik hem het liefst aan iedereen tonen. Hij is de mooiste, natuurlijk. (lacht) 

Eventjes terug naar ‘Leven zonder filter’, je boek over leven met hoogsensitiviteit of HSP. Het werd meteen een bestseller toen het uitkwam en verkoopt na 2 jaar nog altijd.

‘Nog elke dag krijg ik bedankmailtjes van lezers. Ongelofelijk. Ik ging er echt van uit dat ik een boek schreef voor een nichepubliek. Er bestond al wat leesvoer over hoogsensitiviteit, over de theorie dan toch. Blijkbaar was er nood aan iemand die schreef over eigen ervaringen, aan herkenning. Ik snap dat. Ik heb me zelf altijd het buitenbeentje gevoeld, dat meisje dat alles zo hard voelde, daardoor op school werd gepest en aan de keukentafel in haar nieuw samengesteld gezin geen begrip vond. Ik schaamde me voor wie ik was. Toen ik 26 was en ontdekte dat ik HSP was, verlangde ik naar een vriendin die me kon vertellen wat de valkuilen maar ook de positieve kanten zijn. Ik denk dat mijn boek die rol vervult voor veel mensen. Zeggen dat ik trots ben op mezelf is nog altijd moeilijk, maar ik ben wel dankbaar dat het zo’n weerklank vind. (glimlacht)

Er zijn gradaties in hoogsensitiviteit, jijzelf scoort 100 op 100. Hoe vertaalt zich dat in je leven?
‘Dat is heftig. De hersenen van iemand met HSP verwerken prikkels en informatie anders. Op een MRI-scan zie je dat er meer hersengebieden actief zijn dan bij mensen zonder HSP. Alles komt even hard binnen, wordt diepgaand verwerkt en er worden tussen hersengebieden continu verbanden gelegd. Dat is vermoeiend. We zitten hier nu te praten, intussen hoor ik de blèrende nineties muziek op de achtergrond, het kletteren van het bestek, ruik ik het parfum van mensen die passeren, voel ik de emoties van mensen in deze ruimte aan, enzovoort. Ik moet momenten inlassen dat ik die prikkels kan verteren, dat ik mij kan terugtrekken thuis, alleen. Dan doe ik dingen die me opladen: de natuur in, met Rex bezig zijn, schilderen, muziek maken. Het gaat erom mijn grenzen te beschermen. Ik ben heel empathisch en wil anderen helpen, vaak ten koste van mezelf. Wat met het succes van het boek soms een probleem was.’

Hoe bedoel je?
‘Ineens werd ik in de koelcel van de Colruyt bij de groenten omhelsd door huilende mensen die ik niet kende. Overal werd ik herkend en ik kreeg 60 mails per dag vol dramatische levensverhalen. Het is niet dat ik niet wilde helpen, maar wat kon ik doen? Alles wat ik te bieden had, zat in het boek, maar men bleef me vragen om persoonlijke hulp, alsof ik een goeroe was. Ik ben er mensenschuw door geworden. Ik wilde me terugtrekken, want het vrat enerie, en toch voelde ik me vaak schuldig omdat ik niet genoeg deed. Ik heb ook heel ontroerende dingen meegemaakt, maar het was veel.’

Niet het minst omdat je persoonlijk door een heel zware tijd ging.
‘Begin 2017 zijn mijn vader en mijn oma kort na elkaar gestorven. Ik heb mijn vader op zijn laatste dag bijgestaan. Dat was zo rauw. Bizar genoeg had ik me nog nooit zo levend gevoeld als in dat moment. Zoiets meemaken is alsof je een heroïneshot hebt gehad en alles daarna grauw en alledaags is. Ik kon me niet meer druk maken over wat in mijn ogen futiel was. Jarenlang al had ik een kinderwens, al voor ik Seppe leerde kennen, maar ik was altijd te bang geweest. Maar nu stond mijn bullshitmeter op scherp. Het was glashelder wat onzin was en wat belangrijk. Ik besefte dat een kind krijgen essentieel was voor mij en had geen ruimte meer om bang te zijn. Ik was daarna onmiddellijk zwanger, maar na 12 weken hebben we het kindje verloren.’


Ineens moest je rouwen om drie mensen.
‘Voor de buitenwereld had ik de tijd van m’n leven met mijn boek, maar vanbinnen woog het zwaar. Vroeger dacht ik misschien nog: Ach, dat is nog geen echt kind. Nu weet ik dat het dat voor de ouders wel al is. Vanaf ik dat streepje zag staan op de zwangerschapstest, voelde ik me moeder. Ik zag de toekomst voor mij. Was de kinderkamer al aan het inrichten, zag mezelf aan de schoolpoort staan. Als het er dan niet meer is, moet je afscheid nemen van die droom. En er is geen garantie dat het ooit wel lukt. Daarna volgde nog een miskraam, terwijl ik altijd had gedacht dat een kind krijgen gemakkelijk zou gaan. Mijn moeder benadrukte altijd hoe vruchtbaar de vrouwen in onze familie wel waren. Dat mijn lichaam me zo verraadde, voelde nog meer als falen.’

Het heeft nog een jaar geduurd voor jullie zwanger waren van Rex.
‘Ik begon verbitterd te worden. Elke maand voelde ik het verlies. Weer niet. Seks wordt iets functioneels. Kom hier, bevrucht mij. Intussen werden we er niet jonger op. Na een jaar wilde ik toch uitzoeken of er medisch niets mis was. De dag voor we naar de kliniek gingen hadden we nog een keer ongeremd seks, voor de lol. En typisch, net dan, toen ik het losliet, werd ik zwanger. Er waren mensen die zeiden dat ik voorzichtig moest zijn. Me niet meteen moest hechten, want wat als het weer fout liep? Ik heb dat heel bewust wel gedaan. Ik wilde door mijn eigen verleden niet dat mijn zoon, hoe pril ook, ooit het gevoel zou hebben dat hij niet welkom was. Mijn mama heeft de morningafterpil genomen toen ze dacht dat ze zwanger was van mij. Wellicht heeft de katholieke apotheker haar een suikerpil gegeven heeft, recht uit het Vaticaan. Negen maanden later was ik er.’

Je was bang, zei je daarnet. Welke angsten beïnvloedden je kinderwens?
‘Ik was bang van mijn eigen voorgeschiedenis. Ik heb een moeilijke jeugd gehad, mijn moeder stond er alleen voor en zij heeft me altijd gewaarschuwd voor het moederschap: “Begin er niet te licht aan, zo’n kind is daar élke dag.” Ik was daarvan doordrongen, hoe zwaar dat was. Maar mijn moeder had geen geld of werk, woonde in een armoedig huisje in de Nederlandse polders en was depressief. En dan een kind krijgen, alleen … Natuurlijk was dat enorm lastig. Misschien wilde ik niet echt een kind, maar wilde ik gewoon mijn eigen kindertijd overdoen om mijn pijn te genezen. Ik heb 7 jaar met een depressie geworsteld. Wat als ik een postnatale depressie zou krijgen? Zou mama zijn lukken met mijn HSP? Ik had ook schrik dat ik te egoïstisch zou zijn. Mijn vader heeft nauwelijks naar mij omgekeken. Ik heb zijn genen geërfd: misschien was ik ook wel voorbestemd om een slechte moeder te zijn. Ik vertrouwde mezelf niet. En dan al die verhalen over hoe moeilijk dat is, een kind.’

De donderwolk in plaats van de roze wolk.
‘Eerst was het alsof een kind krijgen alleen maar leuk was, toen kwam de noodzakelijke tegenbeweging die zei dat het ook moeilijk kan zijn. Maar daar zijn we nu blijven in hangen, lijkt het wel. Als je een kind hebt, verandert alles, zeggen ze. Je heb je nooit meer tijd voor jezelf, eigenlijk wil je die ettertjes het liefst achter het behang plakken en dan hebben we het nog niet over je lijf, je relatie. Mijn man zou vreemdgaan, mijn vagina zou één groot slagveld worden en dan die borsten! En dan volgde wel dat je er ook veel voor terugkrijgt, maar als ik dan vroeg: wat dan?, bleef het mysterieus stil. Zo wordt kiezen voor het moederschap wel heel griezelig.’

Heb je intussen al een antwoord op die vraag: Wat dan?
‘Ja! Moederliefde. Ik ben zo blij dat ik nu moeder ben. Is het soms zwaar? Ja. Maar het is ook fantastisch. Ik ervaar moederliefde als zoiets overweldigends, een natuurkracht. Dichter bij God of spiritualiteit kom je niet. Elke dag voel ik een diepe ontroering als ik Rex zie. En ineens is elke dag zinvol. Want ik hou van mijn kind en dat maakt mijn leven zinvol. Ik vond het leven vroeger vaak hard werk. Ik wilde niet dood, had dromen over de toekomst, maar hoe mijn heden eruitzag ... daar was ik eigenlijk niet helemaal gelukkig mee. Dat is misschien wel de grootste verandering sinds Rex: moeder worden bleek het beste medicijn voor mijn eigen kindertijd. Ik kan hem alles geven wat ik zelf niet heb gekregen, en dat voelt heel fijn. Ik zie dat hij daardoor floreert en dat zalft mijn eigen littekens.’


Wat is eigenlijk het beste advies dat je hebt gekregen tijdens je zwangerschap?
‘Misschien wel dat ik de laatste weken voor de geboorte zoveel mogelijk moest rusten en slapen. Ik vond dat lastig want Seppe was nog Rex’ kamertje aan het verbouwen en ik wilde meehelpen. Maar omdat ik ziek was moest ik wel rusten. Een groot geluk, want het heeft me kracht gegeven om de maanden na z’n geboorte door te komen. De eerste week heb ik misschien één uur per nacht geslapen en de maanden daarna bleven ook gebroken aangezien ik voedde op vraag. Maar het beste advies was misschien wel om me niets aan te trekken van alle ongevraagde adviezen die ik zou krijgen. (lacht)’

Ongevraagde adviezen, daar heb je het duidelijk mee gehad.
‘Als je zwanger bent, is het alsof de deur voor iedereen openstaat. Een onbekende kerel in de winkel zei ineens: “Je gaat toch voor een keizersnede?”, wijzend naar m’n buik. “Dat is plezanter voor je man hoor!” Wat moet je daar mee?! En dan is er de moedermaffia. Vrouwen die je graag onder de neus wrijven dat ze het beter weten dan jij en dat je een slechte moeder bent als je het niet zoals zij aanpakt. “Je gaat toch niet in het ziekenhuis bevallen? En je gaat toch wel minstens een jaar borstvoeding geven?” Mensen onderschatten de impact van zo’n bemoeizucht. Ik voel me nog altijd schuldig omdat ik na 3 maanden al gestopt ben met borstvoeding geven of omdat ik hem naar de crèche heb gedaan. Ik kreeg berichten als: “Ik was thuisblijfmoeder en mijn drie kinderen zijn daar heel gelukkig mee geworden. Hoe kan jij je baby nu al wegdoen?” Ik voelde me een ontaarde moeder! Maar ik moest nu eenmaal werken en dat ging niet met hem thuis. Hij is ook alleen maar open gebloeid sinds hij naar de crèche gaat: Rex is supersociaal en zit goed in z’n vel. Maar toch, schuldgevoel door het dak.’  

Je boek is dan ook een luide oproep om op jezelf te vertrouwen.
‘Ik heb een groot vertrouwen in het buikgevoel van moeders als het aankomt op wat het beste is voor hun eigen kind. In ons land raadt Kind & Gezin sterk aan om je baby minstens een half jaar en zelfs een jaar bij jou in dezelfde ruimte te laten slapen. Het zou het risico op wiegendood verlagen. Natuurlijk doe je dat dan, als ouder. Maar ik sliep niet met mijn zoon op de kamer. Elk zuchtje, elke draai maakte me wakker. Op zijn beurt sliep Rex slecht door mijn onrust. Na drie maanden heb ik hem verhuisd naar zijn kamertje, met babyfoon natuurlijk, maar ik durfde dat amper iemand te vertellen. Gelukkig had ik een fantastische vroedvrouw die me al die adviezen hielp te plaatsen voor wat ze waren en me leerde vertrouwen op mijn innerlijk kompas. Dat heeft een tijd geduurd, maar nu ben ik veel zekerder als mama. In het begin heeft mijn perfectionisme me parten gespeeld. Ik wilde supermom zijn. Alles goed doen, elke regel volgen. Want mijn kind zou nooit overkomen wat mij was overkomen, hij moest zwélgen in liefde en zorg! Maar nu ik moeder ben, leert hij me dat goed genoeg ook goed is. Ik ben zijn mama en dat is perfect genoeg.’

Je zoon leerde je ook al tijdens je zwangerschap meer je eigen grenzen te bewaken.
‘Ik heb daar zelf totaal geen talent voor en daardoor zijn ze vaak overschreden. Ik zal in een conflict altijd naar mijn eigen aandeel kijken, een eigenschap waar anderen makkelijk misbruik van maken. Toen ik zwanger was, wilde ik in mijn coconnetje kruipen, als een momma bear die haar zoon beschermde tegen alle ongewenste invloeden. En op een of andere manier kwamen net toen erg veel dominante personen op mijn pad. Voor mijzelf had ik die grenzen niet kunnen trekken, maar omdat het niet alleen meer om Fleur ging, maar om hem, kon ik dat toen wel. Ik was de harde schil die het levende wezen in me moest beschermen. Hij had ook de neiging om als een gek te beginnen schoppen als er zulke mensen rond mij waren. Wellicht voelde hij mijn onbehagen.’

En is momma bear uit haar hol gebleven na Rex’ geboorte?
Oh ja hoor. Soms komt ze er wellicht iets te veel uit. (lacht) Ik kan ook al eens woedend worden, wat vroeger ook onmogelijk was. Niet iedereen begrijpt dat, de mensen die er toe doen gelukkig wel. Zo heb ik de eerste drie maanden na zijn geboorte veel bezoek afgeblokt. Na de geboorte eet het kind niet meer vanzelf via de placenta maar moet het gevoed worden, voelt het honger, moet het ademhalen, hoesten, kleertjes aandoen, heeft het warm, koud, zijn er mensen rond hem die hem willen vasthouden. Dat zijn véél veranderingen en ik wilde die overgang zacht maken, op zijn ritme. De literatuur noemt dat het vierde trimester: het idee is dat je een soort sluis bouwt tussen de baarmoeder en het echte leven, om je kind een zachte overgang te gunnen. Niet iedereen begreep dat, maar de beer in mij kon dat perfect van zich laten afglijden. (lacht)

Rex is je spiegel. Nog altijd.
‘Hij vergroot alles uit. Als ik iemand niet leuk vind, wordt hij vervelend. Als ik triest ben, begint hij zelf te huilen. Het voordeel daarvan is dat ik nooit dichter bij mijn echte ik ben geweest. Ik kan zelfs niet meer doen alsof waar mijn zoon bij is. Confronterend maar ook bevrijdend. Ineens doe ik nauwelijks nog wat er van me verwacht wordt, maar kan ik dichtbij mijn eigen intuïtie leven.’ 

Je hakte dan ook grote knopen door. De grootste wellicht dat je stopte met je column bij Het Nieuwsblad nadat je er zo’n 1.361 had geschreven.
‘Een aantal maanden na Rex’ geboorte kreeg ik te horen dat ik op randje burn-out zat. Een paar jaar geleden zat ik daar ook al en ik wist dat ik het nu zover niet mocht laten komen want dan zou ik niet meer voor mijn kind kunnen zorgen. Ik deed het al een tijd zonder volle goesting. Op wilskracht, omdat ik vond dat ik het moest doen. Ik haalde er voor een deel ook mijn identiteit uit, kreeg er complimenten voor. En ik was ook bang: zou ik wel elders werk vinden? Niet vergeten, ik heb geen hoger diploma. En als HSP’er was het eigenlijk wel handig dat ik thuis kon werken, elke dag op een redactie zitten zou me niet lukken.’

Veel redenen om door te zetten, maar je werd er niet gelukkig van.
‘Nee. En de dingen die ik wilde doen voor mezelf, daar had ik geen tijd voor. Schilderen. Meer boeken schrijven. Muziek maken, iets dat al jaren in de diepvries zat. Ik wilde mijn dromen nog proberen waar te maken. Dus ik ben gesprongen. De toekomst ligt open nu. Een jaar of twee geef ik mezelf om te kijken of dit iets kan worden. Intussen ben ik bezig met twee romans, mijn debuut en de opvolger, en heb ik al een atelier gevonden om te schilderen. Hopelijk geeft deze stap me genoeg energie om een goede mama te blijven.

Je hebt nog andere grote stappen gezet in je persoonlijke groei: zo heb je eindelijk de relatie met je moeder durven aan te pakken.
‘Ik had haar altijd gespaard. Ik begreep de verzachtende omstandigheden: ze had het heel erg moeilijk en kon me daardoor als mama niet geven wat ze moest geven. Maar daardoor kwam ik niet toe aan mijn eigen pijn. Die bleef daar de hele tijd en maakte me nog verdrietig, maar nu begon dat verdriet te wegen op mijn kind. Het beïnvloedde mijn gedrag tegenover hem. Omdat ik niet wilde dat hij er de dupe van werd, heb ik de moed gehad om die pijn aan te pakken. Even ben ik erg kwaad geworden op mijn moeder, maar daarna heb ik het haar kunnen vergeven. Ik begrijp ook nu pas ten volle als mama wat een marteling het voor haar moet zijn geweest, dat ze me niet kon geven wat ik nodig had.’

Denk je eraan dat Rex dit boek later kan lezen?
‘Ja, maar ik ben liever een open boek dan een mysterie. Mijn vader heeft nooit iets willen vertellen over zichzelf tegen mij. Hij leek ook niet geïnteresseerd om mij echt te leren kennen. Ik worstel daar nog mee. Dat is toch de basis van menselijk contact? Issues ontstaan vaker omdat we niet durven te communiceren dan omdat we te open communiceren. Ik denk niet dat er dingen instaan die hem zwaar zullen belasten, maar als hij ooit in therapie moet, kan hij het meenemen als bewijsstuk van zijn vreselijke moeder. (lacht)

En het lichamelijke wrak dat je zou worden na die bevalling. Hoe is het daar nu mee afgelopen? 
‘Er is een moment geweest dat ik in de spiegel keek en dacht: Dit was het dan. Mijn man zal nooit meer in mij geïnteresseerd zijn. Ik was lelijk. Grauwe kringen onder m’n ogen, uitgezakte borsten, haar dat uitviel, ik had puisten. Gelukkig heeft mijn lichaam zich compleet hersteld. Ik vind het zelfs jammer dat ik geen striemen heb, al is dat volgens het heersend schoonheidsideaal niet mooi. Voor mij zijn dat battle scars, een souvenir om te tonen wat een krachttoer je lijf heeft gepresteerd.’

En die interesse van je man?
‘Die bleef toch. Na een maand of tien voelde ik dat naast de mama in mij ook de kokette vrouw nog bestond. Mijn man heeft dat perfect aangevoeld en heeft me toen ouderwets het hof gemaakt. Ik voelde dat hij me nog steeds begeerde, en begeert, en daardoor ging ik me weer aantrekkelijk voelen. En kijk, vandaag draag ik af en toe weer mascara en lipstick. Ook al slaapt mijn zoon nog altijd niet door.’ (lacht)


Wie is Fleur van Groningen?

·         Geboren in 1982 in Breda, maar ze is Vlaamse. Tussen haar 5de en 8ste woonde ze in Nederland, daarna verhuisde ze terug naar België.
·         Haar vader was de Antwerpse kunstenaar Flor Hermans, maar hij was lange periodes niet in haar leven.
·         Ze deed kunsthumaniora van Antwerpen.
·         In 2009 debuteerde ze als cartooniste in Goedele Magazine. Ze schrijft columns (onder andere voor Psychologies en Het Nieuwsblad) en boeken. Haar eerste boek “Haal het Slechtste uit Jezelf” verscheen in 2011.
·         Het boek “Leven zonder filter”, over haar ervaring met hoogsensitiviteit, is inmiddels aan de 12de druk toe. Er werden al meer dan 40.000 exemplaren verkocht.
·         Momenteel werkt ze aan maar liefst twee romans tegelijk. Haar debuut zal “De Dictatuur van de Schoonheid” zijn, gebaseerd op de relatie met haar vader.
·         Ze is getrouwd met geluidstechnicus/auteur Seppe van Groeningen. Samen hebben ze een zoon Rex.


‘Mijn kind, mijn spiegel – Lessen van een kleine leermeester’, Fleur van Groningen, uit sinds 20/2 bij Horizon Uitgevers.





zaterdag 14 maart 2020

MIJN LEVEN IS SPRUITJES



Enkele weken geleden. Avond. Mijn man en ik zitten op de bank. We kijken een serie. Boven ligt onze baby voldaan te slapen. We hebben nog een uur en dan moeten wij ook naar bed: morgen is de kleine alweer om half zes op.
“Ik denk dat ik een midlifecrisis heb”, mompel ik.
Mijn man grijpt de afstandsbediening. Het beeld bevriest. “Wat?”
“Oei,” prevel ik verontschuldigend, “laat maar spelen, hoor. Zo belangrijk is het niet.”
“Tuurlijk wel”, werpt hij tegen. “Je zei dat je een mídlifecrisis hebt!”
“Goh, ik voel me al een hele tijd oud en ik heb het gevoel dat mijn leven voorbij is. Ook al weet ik dat het niet zo is.”
Mijn man zwijgt.
“Niet dat ik nu een motor ga kopen of het met jonge kerels ga aanleggen.” Ik probeer een lachje.
“Dat dacht ik nu ook niet”, zegt hij ernstig.
“Ik zit gewoon in de knoop met mezelf. Het waait wel over. Zet maar weer op. Straks moeten we gaan slapen.”
Mijn man kijkt me onderzoekend aan, ziet dat ik het meen en laat dan The morning show verder spelen. Iets later trekt hij me tegen zich aan en fluistert: “Je bent niet oud.” Die zin raakt mijn verdriet.
Vandaag. Middag. Mijn zoon en ik zitten op de houten vloer van de woonkamer. Ik bouw blokkentorens, hij gooit ze om. Op de bank zit mijn man te tokkelen op zijn smartphone.
“Ik denk dat ik die midlifecrisis heb opgelost”, zeg ik. Hij kijkt op.
“Niet dat het gevoel over is”, verduidelijk ik. “Maar ik weet waar het vandaan komt.”
Onze baby kirt, gaat rechtstaan, boort zijn gezichtje in mijn hals. Ik omhels hem. Mijn man kijkt me nog steeds aan. “Vanwaar dan?”, wil hij weten.
Ik zoek naar de juiste woorden. “Door moeder te worden ben ik veel dichter bij mezelf gekomen”, begin ik. Hij knikt. Ik vertel dat ik ontdekt heb dat ik, in tegenstelling tot wat ik dacht, nog vaak leefde volgens andermans normen en waarden. Dat ik de dingen deed omdat ik het zo geleerd had als kind. Dat ik geregeerd werd door voorkeuren en gewoontes die ik meekreeg van familieleden. Of door angst. Of door deadlines op het werk. Dat ik ooit in bepaalde rollen ben gerold en daarin ben blijven hangen. “Ik wérd geleefd”, concludeer ik. De blik van mijn man verklapt dat hij het begrijpt.
“Stom voorbeeld”, ga ik verder, met onze baby in mijn armen. “Vroeger maakte ik spruitjes klaar zoals mijn grootmoeder en moeder dat deden. Ik dacht er niet bij na. Vanmiddag heb ik ze voor het eerst bereid zoals ik dat zelf wilde. Daar ben ik zévenendertig voor moeten worden. En zo is het nu met alles, snap je? Mijn leven is spruitjes.” Ook die zin raakt mijn verdriet. “Haast alles trek ik in twijfel. Ik weet niet meer waar ik voor sta, wat aangeleerd is of zelfs opgedrongen. Wat ik wérkelijk wil. Er zijn maar een paar zaken waarvan ik zeker ben: jou, ons kind.” Dat kind stopt gillend een puzzelstuk tussen mijn tenen. “Het leven zoals ik het kende is voorbij. Maar ik leef nog. Dus er zal wellicht iets nieuws voor in de plaats komen? Iets wat energie geeft.”
“Daar ben ik zeker van”, zegt mijn man.
Ik kijk hem vragend aan. “En waarschijnlijk is het best oké om het een tijdje allemaal niet te weten …”
“Volgens mij” zegt hij peinzend, “wordt alles mettertijd vanzelf duidelijk. Ondertussen hoef je alleen maar te leven.” We glimlachen naar elkaar en ik denk aan een citaat van Rumi: “Als je je op weg begeeft, verschijnt het pad.”
(Deze column verscheen in Het Nieuwsblad Magazine en werd geschreven voor de coronacrisis ons bereikte)

Schrijven over pedofilie, een mijnenveld?

Is schrijven over pedofilie een mijnenveld dat vermeden moet worden? Ik vind van niet. Het is belangrijk dat we zo goed mogelijk geïnformeer...